Leesfragment ‘Donna’

Lees hier een kort fragment uit mijn jeugdboek ‘Donna’ (Uitgeverij Boekscout), over een meisje dat in haar eentje in het bos woont en het liefst alleen maar boeken leest. De prachtige illustraties zijn van Kees Bijlsma.



Het meisje woonde in een huis vol boeken. Die lagen opgestapeld langs de muren: atlassen en encyclopedieën, boeken vol sprookjes en verhalen. Woordenboeken met daarin álle woorden die de mensen de afgelopen eeuwen hadden uitgesproken, in welke taal dan ook. 
‘En daar,’ wees het meisje naar een stapel papier in de hoek van de woonkamer. ‘Dat is mijn verzameling liefdesbrieven. Sommige zijn al eeuwenoud.’
Ze pakte er eentje uit de stapel.
‘Deze is van één of andere Julius, een Romeinse meneer, die een brief schreef aan een Egyptische prinses.’
Ze pakte er nog eentje.
‘Hier heb ik een brief die is geschreven door Johnny, een Amerikaanse muzikant.’
Ze keek op de envelop die erbij hoorde.
‘Geschreven aan mevrouw  J. Carter,’ las ze hardop voor.
‘Mooi hè. Allemaal verliefde mensen! Allemaal mensen die het mooiste in de ander zien.’

Willibrord stond alleen maar gapend van verbazing om zich heen te kijken. Vanaf het moment dat ze die ochtend uit het bootje waren gestapt was de wereld langzaam wakker geworden. Op weg naar het huisje van het meisje waren de eerste zoemende insecten hun honing komen halen. Ze vlogen rond in bermen vol blauwpaarse bloemen. Willibrord had een dikke pad zien zitten zonnen. En in het bos had telkens de roep van een fazant geklonken. Toen Willibrord en het meisje ten slotte bij het houten huisje op de heuvel waren aangekomen, stond de zon al hoog aan de hemel.
‘Woon je hier alleen?’ vroeg Willibrord haar nu, terwijl het meisje een boek over sterren en planeten van een hoge stapel trok. Ze wilde er net over gaan vertellen.
Het meisje schudde haar hoofd.
‘Welnee. Ik woon hier tussen de verhalen van honderden, duizenden mensen. Tussen zoveel boeken kan niemand ooit alleen zijn.’


Het hele dorp was die middag uitgelopen naar de rivier. In een lange stoet liepen de dorpelingen over het bospad. Van de burgemeester tot de bakker, van de dokter tot de dakdekker, van de notaris tot de nachtzuster. Zelfs de kinderen liepen mee. De jongsten klampten zich telkens vast aan de benen van hun moeder, terwijl de oudsten elkaar eerst nog bestookten met dennenappels. Maar hoe dichter ze bij de rivier kwamen, hoe stiller iedereen werd. Nu stonden ze met z’n allen bij de oever.
Het was er plots zo mistig geworden, dat je de overkant niet meer kon zien. 
Voor hen lag het donkere water. Het leek op een groot, onbekend dier, dat zo nu en dan z’n ogen samenkneep tot vriendelijke rimpeltjes.
‘Nou? Wie gaat?’ riep de burgemeester. Hij plukte nerveus aan een rietstengel. Iemand moest nu in de rivier springen en naar de overkant zwemmen. Maar het bleef stil. Niemand durfde.
‘Dan doe ik het maar,’ zei Willibrords vader na een tijdje. Hij trok een schoen uit, en toen een gele sok met blauwe ruitjes.
Maar juist op dat moment begon het: hard gerommel, en daarna een enorme bliksemflits. Als een puntige vinger bleef de bliksem secondenlang in de lucht hangen. Al snel kwam daar de regen, vanuit de gitzwarte wolken. De rivier begon te schuimen en te kolken, zo wild en woest dat de dorpelingen angstig terugdeinsden.
‘We moeten terug!’ riep de burgemeester. 
Het hele dorp vluchtte terug het bos in, waar ze een oude schaapskooi vonden om in te schuilen.

Een gedachte over “Leesfragment ‘Donna’

Voeg uw reactie toe

  1. Wat een prachtig verhaal! Heb het in één keer uitgelezen en hopelijk komt er nog zo’n boek, met Donna of een ander mooi persoon!! Love it

Geef een reactie op technicallysublime9953ab63d6 Reactie annuleren

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑